WEBsRGB_201911128_Rehoboth_Ochten_084.jpg

                                                                                                                       .

Identiteitsprofiel

OPDRACHT

Onze school ziet het als zijn opdracht om een bijdrage te leveren aan de opvoeding en vorming van kinderen en jongeren. Het uitgangspunt daarbij is de Bijbel en de daarop gefundeerde belijdenis van de kerk. Het doel daarvan is ze te leren de hun geschonken gaven in te zetten in dienst van God en de naaste, en daarmee van de samenleving, en ze op die manier te vormen tot zelfstandige persoonlijkheden die hun burgerschap verstaan. Deze opdracht vervullen we in afhankelijkheid van de HEERE en in een gemeenschap die mede bestaat uit de ouders, die de eindverantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen dragen, en de kerken die ook aan die vorming bijdragen. 

 

DE BIJBEL

De Bijbel is voor ons het Woord van God en daarmee heilig: wij geloven zonder enige twijfel alles wat daarin staat. Met de Bijbel belijden we de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Ook leert de Bijbel ons dat er onder de hemel geen andere naam onder de mensen is gegeven, door welke wij zalig moeten worden dan de naam van Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is. Het geloof maakt ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig, in de weg van wedergeboorte en bekering. Het is de Heilige Geest, Die dat geloof in het hart werkt door de verkondiging van het Evangelie en het sterkt door het gebruik van de sacramenten. Zonder een waar geloof is de mens echter geestelijk dood vanwege misdaden en zonden. Deze Bijbelse boodschap onderwijzen we aan de leerlingen. Wij gebruiken daarvoor de Bijbel in de Statenvertaling. 

 

DE BELIJDENISGESCHRIFTEN

De kerk der eeuwen heeft haar geloof in belijdenisgeschriften neergelegd. Onze school onderschrijft onvoorwaardelijk de vroegchristelijke belijdenissen (de Apostolische Geloofsbelijdenis ofwel de Twaalf Artikelen, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius) alsmede de Drie Formulieren van Enigheid (de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels). 

Wij onderschrijven deze geschriften volledig omdat zij in alles overeenkomen met de Bijbel. Ze gelden voor ons als de normatieve uitleg van de Bijbel en zijn daarmee mede bepalend voor ons belijden én handelen. Daarin weten we ons verbonden met kerkelijke gemeenten die een zelfde visie hebben op de Bijbel en de belijdenis.

 

DE TIEN GEBODEN

Omdat we belijden dat de Bijbel (en de daarop gebaseerde belijdenisgeschriften) zeggenschap heeft over alle terreinen van het leven, ontlenen we daaraan onze waarden en normen. De Tien Geboden vormen voor ons het uitgangspunt.

Naast de functie om ons te ontdekken aan onze zonden en ons tot Christus te brengen, fungeren deze geboden voor degenen die in Christus zijn, als een regel om uit dankbaarheid daarnaar te leven. Tegelijkertijd omvatten deze geboden heilzame regels voor ieder mens en voor de gehele samenleving. 

Bij het hanteren van de Tien Geboden op school geldt voor ons het volgende: 

  • Het leven naar Gods geboden komt tot ons als een nodiging en opdracht; de Bijbelse leer van de verdorvenheid van de mens doet hier niets aan af. 
  • Gods weerhoudende genade remt de doorwerking van de zonden af; gewetensvorming en opvoeding naar de eis van Gods geboden is in uiterlijke zin dan ook mogelijk. 
  • Het leven tot Gods eer krijgt ten diepste niet door onze inspanningen gestalte, maar is vrucht van de genade van God in Christus. 

Dat de Tien Geboden voor ons het uitgangspunt vormen van onze waarden en normen betekent concreet, per gebod:

1.  God heeft recht op aanbidding en verering. Daartoe roept Hij ook op. Het is niet toegestaan een schepsel of het geschapene met God gelijk te stellen of daaraan goddelijke eer toe te kennen.

2.  De wijze waarop God gediend moet worden, is door Hem bepaald. Wij hebben niet het recht iets over Hem te zeggen of te denken buiten hetgeen Hij over Zichzelf aan ons heeft geopenbaard. Die openbaring leert ons dat God op geen enkele wijze door ons fysiek mag worden afgebeeld, omdat wij Hem daarmee in het vlak van de schepselen willen trekken en Hem zo onteren. God vraagt een voortdurend luisteren naar Zijn Woord, anders is het niet mogelijk om Zijn wil te kennen en te gehoorzamen.

3.  God vraagt dat met eerbied, ontzag en liefde over Hem wordt gesproken en dat de Bijbel eerbiedig wordt gelezen en ter sprake wordt gebracht. In het lezen, in het zingen en in het gebed dienen wij Gods eer te zoeken. Misbruik van Gods Naam, lichtvaardig gebruik van Bijbelwoorden en alle spreken over God dat niet uit eerbied voortkomt, wijzen we af.

4.  De zondag is een bijzondere dag. Christus kwam op aarde om de wet te vervullen. Met Zijn opstanding uit de doden op de eerste dag van de week is de wet vervuld. Daarmee is de zondag ook de vervulling van de sabbat. Op grond van de blijvende opdracht van dit gebod, is het deze dag die in het bijzonder is bestemd voor de dienst van God. Dit houdt in dat wij trouw de samenkomsten van de christelijke gemeente waartoe we behoren, bezoeken. De zondag wordt geëerbiedigd als een geschenk van God om in het bijzonder op die dag naar Zijn Woord te horen en ook om naar lichaam en geest tot rust te komen. De zondag is dan ook als rustdag van de andere dagen onderscheiden. Op grond van het Nieuwe Testament verwerpen wij het houden van de rustdag op de laatste dag van de week.

5.  De Bijbel geeft ook richtlijnen ten aanzien van de verhoudingen tussen mensen. Op elk niveau van werken bestaan er gezagsverhoudingen: van bestuur, naar directie, naar overig personeel, naar leerlingen. Gezag is er ons ten goede. Gezag moet dan ook in liefde en binnen de kaders en de grenzen van de Bijbel worden uitgeoefend. Gezagsverhoudingen worden erkend. Dit betekent dat voorschriften en aanwijzingen worden opgevolgd, hetgeen uiteraard het gesprek daarover niet uitsluit.

6.  We behoren de medemens lief te hebben als onszelf. Liefde tot de medemens, naar de eis van Gods geboden en het voorbeeld van Christus, dwingt ons ons in te zetten voor het geestelijke en lichamelijke welzijn van de naaste. Wij hebben eerbied voor het leven. Dit komt in ons onderwijs onder andere tot uiting in onze omgang met elkaar en in het bijzonder met de leerlingen. Onze school biedt aan alle betrokkenen een fysiek veilige omgeving, want ieder mens wordt, als schepsel van God, gerespecteerd. Dit betekent dat alle mensen gelijkwaardig zijn en als zodanig wordt behandeld.

 7.  Seksualiteit heeft in de Bijbel te maken met het vormen van een onverbrekelijke verbintenis in een huwelijk tussen één man en één vrouw, en krijgt in het licht hiervan een plaats. Daarbij zijn de Bijbelse voorschriften bindend voor het seksuele leven. Deze seksuele moraal betekent dat de huwelijksrelatie geëerbiedigd wordt. De medemens wordt met respect (en rein en zuiver) benaderd. Dit sluit seksueel getinte grappen en intimidatie uit. Ook voor losse seksuele contacten is geen ruimte, omdat het monogame huwelijk als de door God gegeven vorm van omgang tussen man en vrouw wordt gezien. God wil dat wij ons lichaam, dat wij van Hem ontvangen hebben, aanvaarden en ook als tempel van de Heilige Geest zuiver en heilig bewaren. Ook in ons uiterlijk laten wij het in de schepping gelegde onderscheid tussen man en vrouw tot uitdrukking komen.

8.  We respecteren de eigendommen van de ander, zowel van het personeel, de leerlingen als de instelling. Het nut van onze medemensen moet worden bevorderd en met hen handelen we, zoals we willen dat zij met ons zouden handelen. Het achtste gebod betekent ook dat we als rentmeesters geroepen zijn tot een verantwoord en toegewijd beheer van alles wat God ons in de schepping heeft toevertrouwd.

9.  In gesprekken met en over anderen moet zuiverheid worden betracht, zonder te roddelen of een voorstelling van zaken te geven die met de waarheid in strijd is. Wij staan een open en eerlijke communicatie voor. Informatie die als leugen bestempeld moet worden, wordt afgewezen. De eer en het goed gerucht van anderen wordt bevorderd.

10.  We behoren in liefde en zuiverheid van intentie het voorgaande in praktijk te brengen. Dat zal onze handel en wandel, ook in de omgang met elkaar, stempelen. Voorkomen moet worden dat zondige begeerten worden opgewekt en dat ze worden opgevolgd. Gezocht wordt het leven en het welzijn van de ander te dienen: persoon, privacy en bezit worden gerespecteerd. Onze begeerte dient uit te gaan naar God; alleen Hij kan onze diepste verlangens vervullen. 

 

HET PERSONEEL

Binnen onze school speelt het personeel een cruciale rol. Personeelsleden zijn niet alleen de dragers van de identiteit, maar ook de uitvoerders ervan. Binnen de gemeenschap van school, ouders en kerk is het dan ook van essentieel belang dat de personeelsleden de belijdenis aanvaarden en hun leven in overeenstemming met dit identiteitsprofiel inrichten, zodat zij een goed voorbeeld voor de leerlingen zijn. De leerlingen dienen zich immers met de medeopvoeder te kunnen identificeren. Daarom worden er dus, naast de professionele eisen die aan elk personeelslid gesteld worden, ook voorwaarden gesteld die te herleiden zijn tot de identiteit van onze school (zoals die formeel is vastgelegd in de statuten van de juridische entiteit waarvan de school uitgaat, de arbeidsovereenkomst en daaruit voortvloeiende documenten). Trouw en loyaliteit aan de identiteit zijn voor de school namelijk essentieel voor de verwezenlijking van zijn opdracht.

Daarbij gaat het ook om de geloofwaardigheid van personeelsleden als dragers van de identiteit van onze school. Vanwege het belang hiervan, is het stellen van deze eisen wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd en kunnen wij niet accepteren dat personeelsleden in woord of daad van de in dit identiteitsprofiel neergelegde uitgangspunten afwijken. Daarom geldt het aanvaarden van het profiel niet alleen bij benoeming, maar ook tijdens het gehele dienstverband. Als een personeelslid zich op enig moment van dit profiel distantieert, heeft dat rechtspositionele gevolgen. Een personeelslid kan dan immers geen geloofwaardige bijdrage meer leveren aan de verwezenlijking van de opdracht van de school.

Het voorgaande geldt overigens niet alleen voor het onderwijzend personeel, maar ook voor het leidinggevend en het onderwijsondersteunend personeel. Er is immers in de opvoedingsgemeenschap slechts een gradueel verschil in mate van ontmoeting met de leerlingen.

Van de opvoedingsgemeenschap maken ook kerken deel uit. Een wezenlijk onderdeel van die gemeenschap is dan ook dat personeelsleden van onze school (belijdend) lidmaat van één van de hierna genoemde kerkelijke denominaties zijn:

  • Gereformeerde Gemeenten;  
  • Gereformeerde Gemeenten in Nederland; 
  • Hersteld Hervormde Kerk; 
  • Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland

 

HET BESTUUR EN DE TOEZICHTHOUDERS

Dit identiteitsprofiel geldt ook voor leden van het bestuur en voor de toezichthouders. Ook van hen wordt, als leden van de gemeenschap, blijvende instemming met de identiteit van de school gevraagd. Voor hen impliceert dit onder andere goed werkgeverschap. 

 

HET ONDERWIJS

Visie op de mens (en daarmee ook op de leerling) 

De mens wordt in de Bijbel getekend als individu én als gemeenschapswezen. Hij is als schepsel in de eerste plaats verantwoording schuldig aan God. Zijn bestaan is immers geen doel in zichzelf, maar dient gericht te zijn op God. Hij (Adam) is door God zeer goed geschapen. Door de zondeval is de mens echter geneigd God en zijn naaste te haten. Het blijft desondanks voor ieder mens de opdracht om tot Gods eer én tot heil van de naaste te leven. Alleen hartvernieuwende genade werkt de ware liefde tot God en de mens.

Visie op opvoeding en onderwijs 

Bij de doop van de (meeste) leerlingen heeft geklonken: ‘zo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond, dopen; en de ouders zullen gehouden zijn hun kinderen, in het opwassen, hiervan breder te onderwijzen’. De ouders hebben toen beloofd dat zij hun kind ‘in de leer van de Bijbel en de artikelen van het christelijk geloof naar hun vermogen zullen doen (en helpen) onderwijzen’. Ons onderwijs zoekt hierbij aansluiting en draagt aan de vervulling daarvan bij. 

Ons onderwijs beoogt zo een bijdrage te leveren aan de vorming van de leerling tot een zelfstandige, God naar Zijn Woord dienende persoonlijkheid, geschikt en bereid om de ontvangen gaven te besteden tot Zijn eer en tot heil van de medemensen in alle levensverbanden (kerk, gezin en maatschappij) waarin God hem plaatst. Het Bijbelse gedachtegoed werkt dan ook door in alle aspecten van het schoolleven en heeft dus bijvoorbeeld ook consequenties voor de visie op wetenschap, kunst, cultuur, seksualiteit en op de samenleving als geheel. 

Ons uitgangspunt stempelt ook de visie van de school op, bijvoorbeeld, de schepping. De school belijdt dat God hemel en aarde in zes dagen heeft geschapen. Deze overtuiging verdraagt zich niet met de evolutietheorie, die wij dan ook verwerpen.

Het is vanzelfsprekend dat het voorgaande nauw is verweven met de algemene onderwijsdoelstelling, namelijk het doen verwerven door de leerling van kennis, inzicht, vaardigheden en attituden met inachtneming van zijn persoonlijke begaafdheid.

Visie op de school 

Onze school als leer- en opvoedingsgemeenschap geeft invulling aan zijn opdracht door vanuit de identiteit dienstbaar te zijn aan gezin, kerk en samenleving. Met inachtneming van de eigenheid en ook van de eigen verantwoordelijkheid werken gezin, kerk en school samen om leerlingen te onderwijzen en te vormen. Als “poort naar de maatschappij” stelt de school zich dienend op ten behoeve van het gezin, de kerk en de samenleving. 

Het onderwijs is daarmee meer naar buiten gericht dan het gezin (en de kerk). De school biedt voor de leerlingen wél een veilige omgeving waarin zij zich voorbereiden op een Bijbels verantwoorde deelname aan de samenleving. Bij de invulling hiervan speelt de leeftijd van de leerlingen een belangrijke rol. 

Het pedagogisch handelen krijgt gestalte door het onderwijs in te richten naar de norm van de Bijbel, in de context van de huidige samenleving.

Visie op maatschappij en burgerschapsvorming 

Onze visie op de maatschappij is te typeren met enerzijds het begrip “participatie” en anderzijds met de aanduiding “distantie” (namelijk vanuit het besef dat de maatschappij waarin wij leven – net als wijzelf – zondig en tijdelijk is). Deze spanningsvolle houding tegenover de samenleving wordt ook aan de leerlingen meegegeven. Zo worden zij voorbereid op het staan in een complexe, pluriforme, seculiere en multiculturele maatschappij.

Onze school leert leerlingen de Bijbel concreet gestalte te geven in een christelijke levenshouding. Leerlingen worden gestimuleerd om niet het eigenbelang als uitgangspunt te nemen, maar zelfstandig en actief verantwoordelijkheid te dragen voor de belangen van de gemeenschap in en buiten de school. Belangrijke aspecten daarbij zijn vreemdelingschap (het leven als burger van twee werelden) en rentmeesterschap. 

 

ONZE VERWACHTING EN DE TOEKOMST

Allen die Christus en al Zijn weldaden door een waar geloof aannemen, verwachten het eeuwige leven. Dat wil zeggen dat zij na dit leven volkomen zaligheid zullen bezitten, die geen oog heeft gezien, geen oor gehoord en in het hart van geen mens is opgeklommen, om zo God daarin eeuwig te prijzen. Hiertoe worden de leerlingen opgeroepen. Er is echter ook een keerzijde, namelijk voor hen die niet in Christus zijn en zich niet bekeren, wacht de eeuwige rampzaligheid. Dit wordt voor de leerlingen niet verzwegen. Ons onderwijs wordt door deze beide realiteiten gestempeld. 

Onze school weet zich geroepen om aan zijn opdracht vorm en inhoud te geven. We doen dat vanuit het besef en met de belijdenis: “Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft”!

 

ONZE DAGELIJKSE SCHOOLPRAKTIJK

We gebruiken op school uitsluitend de Bijbel in de Statenvertaling en de psalmberijming van 1773. We beginnen de schooldag in de groep met Bijbelles, gebed en het zingen van een psalmvers (niet ritmisch). De schooldag wordt besloten met dankgebed.

Het onderscheid tussen man en vrouw is o.a. zichtbaar in onze kleding en haardracht. Zo is in schoolverband het dragen van lange broeken, broekrokken, korte rokken en leggings door vrouwen en meisjes niet toegestaan. We dragen geen mouwloze kleding. Van de mannen en jongens wordt verwacht dat ze geen kettinkjes, oorringen of iets dergelijks dragen.

Moderne literatuur, moderne muziekuitingen, het multimediale gebruik van televisie en het onverantwoord omgaan met open internet en software die het mogelijk maakt om televisieprogramma’s te bekijken achten we in strijd met onze identiteit en onze grondslag vanwege het godonterend en zielsverwoestend karakter.